donderdag, 28 mei 2020

Een AED is geen hartmassageapparaat

Een AED wordt geheel ten onrechte regelmatig een hartmassageapparaat genoemd. Een AED geeft echter een elektrische schok en geen hartmassages. Een manueel hartmassageapparaat is een geheel ander reanimatiehulpmiddel. Bij een persoon met een circulatiestilstand is het toedienen van thoraxcompressie (hartmassage) door de hulpverlener van levensbelang, ook als een AED tijdens de reanimatie wordt ingezet. Als een schok gaat worden toegediend, wordt ten opzichte van het slachtoffer, volgens de instructies van de AED, afstand gehouden, en wordt even niet gemasseerd. 

Niet iedere defibrillator is een AED

Defibrillatoren waarbij het hartritme te zien is op een display (beeldscherm) en er zonder automatische analyse gedefibrilleerd kan worden, vallen (in Nederland) niet onder de Automatische Externe Defibrillatoren. 

Werking

Een AED bestaat onder andere uit een microprocessor en elektroden. De elektroden verzamelen informatie over het ritme van het hart, welke informatie door de microprocessor wordt geïnterpreteerd. Als er sprake is van ventrikelfibrillatie of ventrikeltachycardie, adviseert de microprocessor een schok om het hart te defibrilleren. Met toediening van de elektrische schok wordt getracht het myocard (hartspierweefsel) te depolariseren

Toepassing

Bij personen met een kamer fibrillatie is het van belang dit zo snel mogelijk te herkennen en zo snel mogelijk hulp te bieden. Deze hulp wordt de keten van overleven genoemd en bestaat uit:

  • zo spoedig mogelijk alarmeren via 1-1-2
  • zo spoedig mogelijk starten met Basic Life Support
  • zo spoedig mogelijk een AED inzetten (zo nodig defibrilleren)
  • zo spoedig mogelijk Advanced Life Support (uitgebreide medische hulp) verlenen.

Doordat een AED een eenvoudig te bedienen automatisch toestel is, is het nu mogelijk dat defibrilleren niet uitsluitend door de professionele hulpverleners kan worden uitgevoerd, maar ook door andere (opgeleide) personen. Op een AED zitten meestal slechts twee knoppen. Eén om het toestel in te schakelen en één om een schok toe te dienen. Na het aanzetten zal het toestel de hulpverlener door middel van gesproken instructies begeleiden. Het zal de hulpverlener vragen om de elektroden op de borst van het slachtoffer te plakken en het zal nadien automatisch een analyse van het hartritme maken. Stelt het toestel vast dat er sprake is van ventrikelfibrilleren of ventrikeltachycardie, dan zal een elektrische schok worden geadviseerd en zal het de hulpverlener instrueren om deze toe te dienen. Vervolgens gaat men weer door met thoraxcompressies en beademen (Basic Life Support).